-Wilt u deelnemen aan de gebruikers Enquête? Klik hier: Vragen-

Agglomeratie

Uit OmoPedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Beschrijving

Mariska is met haar ouders een dagje in Den Haag. Ze bezoeken het Mauritshuis, het Binnenhof en het Universum. Vader stelt voor in Scheveningen te gaan uitwaaien op de beroemde pier. Daar heeft Mariska wel oren naar. Papa haalt de auto uit de parkeergarage en zet de TomTom aan. Ze rijden een aantal kilometers door straten en ineens zijn ze bij het Kurhaus in Scheveningen. Mariska heeft geen weiland gezien onderweg. Papa vertelt haar dat Scheveningen tegen Den Haag aan ligt. Scheveningen maakt deel uit van een agglomeratie.

Definitie

Een stad samen met de daaraan vastgegroeide randgemeenten (dorpen).

Voorbeelden

  • De agglomeratie van Den Haag bestaat uit Den Haag zelf, met daaromheen Rijswijk, Voorburg, Scheveningen en Kijkduin. Al deze gemeenten liggen tegen Den Haag aan. Zoetermeer ligt zo'n 25 km ten oosten van Den Haag. In deze grote stad wonen veel mensen, die in Den Haag werken. Zoetermeer behoort dus niet tot de agglomeratie Den Haag, maar wel tot de stedelijke zone. In zo'n zone kijk je naar de steden en dichtbij gelegen gemeenten, die elkaar nodig hebben en beïnvloeden.
  • Het bekendste voorbeeld in Nederland van een stedelijke zone is natuurlijk de Randstad (met als grootste steden Amsterdam, Den Haag, Rotterdam en Utrecht) maar ook de Brabantse stedenrij (ook wel Brabantstad) met Bergen op Zoom, Roosendaal, Breda, Tilburg, Den Bosch, Eindhoven, Helmond en Oss, is er een voorbeeld van.

Toelichting

  • Een grondgebied kan worden ingedeeld in stad en platteland. Vroeger was die scheiding heel duidelijk. Steden waren vroeger natuurlijk veel minder groot en vaak door middel van bijvoorbeeld een muur en/of gracht van het omringende platteland gescheiden.
  • In de periode van de opkomst van de industrie groeiden de steden enorm. Niet alleen door natuurlijke groei (geboorte-sterfte), maar met name door arbeidsmigratie. Mensen konden op het platteland steeds minder werk vinden en tegelijkertijd was er in de steden door de opkomende industrie veel werk. In die tijd was reizen moeilijker dan nu. Er waren immers nog maar weinig wegen en de auto was nog niet uitgevonden. Hierdoor was het noodzakelijk dichtbij het werk te gaan wonen. Mensen trokken naar de stad.
  • In de loop der tijd ontstond er een omgekeerd migratiepatroon. Mensen trokken juist weg uit de steden en gingen wonen in de voorsteden en omringende dorpen. Ze wilden meer ruimte, rust en veiligheid en een huis met een eigen tuintje. Hierdoor verstedelijkte het platteland. Stad en platteland werden een eenheid. Mensen woonden in redelijke rust, maar werkten in de steden zelf. Elke dag reisden ze op en neer van huis naar werk. De toegenomen mogelijkheden om je te verplaatsen, maakten dit op en neer gereis (forensisme) mogelijk.
  • Door die suburbanisatie zijn veel dorpen zo gegroeid, dat ze aan de steden vast kwamen te zitten en dan spreek je van een agglomeratie. Lees dat overigens niet te letterlijk. Er mag tussen de onderdelen van de agglomeratie best een snelweg liggen of een klein park, maar geen groot aaneengesloten landbouwgebied.
  • Steden zijn onderling vaak ook afhankelijk van elkaar en vormen een eenheid. Zo’n stedelijk gebied bestaat uit een aantal agglomeraties.
  • Agglomeratie komt van het woord agglomereren. Dit is een scheikundige term en betekent letterlijk samenklonteren. Een agglomeratie is dus een samenklontering van steden en dorpen.