-Wilt u deelnemen aan de gebruikers Enquête? Klik hier: Vragen-

Klimaatfactor

Uit OmoPedia

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Beschrijving

Tijdens de aardrijkskundeles heeft Mohammed geleerd dat gebieden dichtbij de polen veel kouder zijn dan gebieden die vlak bij de evenaar liggen. Dat lijkt hem ook wel logisch. De zon staat er hoger aan de hemel en geeft daar dus veel meer warmte af. Wanneer Mohammed in de atlas kijkt naar een temperatuurkaart van de wereld valt hem wel iets op. Op één en dezelfde breedtegraad kunnen grote temperatuurverschillen optreden. Zo ziet hij dat IJsland, midden in de Atlantische Oceaan, in de winter een temperatuur heeft van een paar graden boven nul, terwijl het in Siberië op diezelfde breedte gemiddeld maar liefst veertig graden onder nul is en dat is echt koud! Er moet dus meer aan de hand zijn om de verschillen in klimaat te kunnen bepalen.

Definitie

Factor die van invloed is op het klimaat in een bepaald gebied.

Voorbeelden

Toelichting

Breedteligging. Dit is de belangrijkste factor. Op hoge breedte (dus dicht bij de polen) verwarmt een bundel zonnestralen een relatief groot oppervlak en bovendien moet die bundel een relatief grote weg afleggen door de dampkring. Tenslotte is op hoge breedte de weerkaatsing van licht door ijs groter. Hierdoor is het op hoge breedte kouder dan in de buurt van de evenaar.

Schuine stand van de aardas ten opzichte van het baanvlak om de zon veroorzaakt daarbij het verschijnsel seizoenen. In de zomer staat de zon hoger aan de hemel en tegelijkertijd is de daglengte langer. Daardoor is het zomers warmer dan in de winter. Let erop dat zomer op het noordelijk halfrond betekent dat het winter is op het zuidelijk halfrond en omgekeerd.

Hoogteligging Atmosfeer wordt van onderaf verwarmd. Algemeen geldt : gemiddeld neemt de temperatuur met de hoogte af met ongeveer 6 graden per kilometer. (dit geldt voor vochtige lucht waarin condensatie optreedt). Droge lucht koelt sneller af, namelijk met 10 graden per kilometer.

Gesteldheid aardoppervlak. Water wordt relatief langzaam warm maar koelt ook relatief langzaam af. Voor land geldt het omgekeerde. Dit betekent dat in de zomer een gebied dat onder invloed staat van veel water, kouder zal zijn dan een landoppervlak, in de winter is zo’n gebied juist warmer. Kenmerk van een zeeklimaat is dan ook een relatief milde winter maar tegelijkertijd een relatief koele zomer. Landklimaten hebben koude winters, terwijl de zomer behoorlijk heet kan zijn.

Aanvoer kou of warmte van elders. Grote hoeveelheden warmte worden op aarde herverdeeld via de zeestromen. Een warme zeestroom (bijvoorbeeld de Golfstroom in de Atlantische Oceaan) verplaatst zeer veel warmte van de subtropische gebieden naar de polen. Voorbeeld: De Noorse kust staat onder invloed van die Golfstroom en kent ’s winters veel hogere temperaturen dan je op grond van de breedtegraad zou mogen verwachten.

Ligging ten opzichte van gebergten. Aan de kant van het gebergte waar de lucht stijgt mag je veel meer neerslag verwachten dan aan de kant waar de lucht daalt. Aangezien vochtige lucht minder snel in temperatuur daalt dan droge lucht in temperatuur stijgt bij daling, kan het zogenaamde föhneffect optreden, een warme droge valwind. De zijde waar de lucht stijgt noemt men de loefzijde, de kant waar de lucht daalt de lijzijde. Men zegt ook wel dat de lijzijde in de regenschaduw ligt.

Persoonlijke instellingen
Naamruimten
Varianten
Handelingen
Navigatie
Hulpmiddelen