-Wilt u deelnemen aan de gebruikers Enquête? Klik hier: Vragen-

Passaat

Uit OmoPedia
Ga naar: navigatie, zoeken

Beschrijving

Toen Columbus in 1492 op ontdekkingsreis ging en probeerde via de westelijke route richting Azië te varen, wist hij dat op onze breedtegraden de wind verkeerd staat. Hij zou dan met honderden keren overstag gaan, dus vooral tegen de wind in moeten varen. Daarom voer Columbus langs de kust van Afrika naar het zuiden, totdat hij in het gebied van de noordoostpassaat kwam. Tussen ongeveer 30 graden noorderbreedte en de evenaar waait een zeer constante wind, die vanuit het subtropisch hogedrukgebied waait in de richting van de evenaar. Met de wind in de rug ontdekte Columbus een paar weken later Amerika. Hij ging daar aan wal op het Caribische eiland Salvador, dat deel uitmaakt van de Bahama-eilanden.

Definitie

Krachtige en erg constante wind aan de aardoppervlakte, die vanuit de hogedrukgebieden op 30 graden noorder- en zuiderbreedte steeds uit dezelfde richting terug naar het lagedrukgebied bij de evenaar waait.

Voorbeelden

Fout bij het aanmaken van de miniatuurafbeelding: The system cannot find the path specified. Error code: 1
De belangrijkste windrichtingen op aarde. Met de gele pijlen wordt de noordoostelijke passaat aangegeven en met bruine pijlen de zuidoostpassaat

Er zijn twee passaatwinden:

  • De noordoostpassaat op het noordelijk halfrond
  • De zuidoostpassaat op het zuidelijk halfrond

Toelichting

  • Daar waar het gemiddeld gesproken het warmst is op aarde, heeft de lucht de neiging om te stijgen. Je krijgt hier lage drukgebieden. De stijgende luchtbeweging zorgt er voor veel neerslag, want de in de lucht zit hier vaak veel waterdamp. De waterdampt stijgt met de lucht en koelt net als de lucht af als hij hoger komt. Wanneer waterdamp voldoende afkoelt, krijg je condensatie en wolken. Er is dan natuurlijk kans op neerslag.
  • Bovenin de atmosfeer wijkt de wind uit in zowel noordelijke als zuidelijke richting, maar krijgt door de draaiing van de aarde een steeds grotere afwijking.
  • Ongeveer op 30 graden noorderbreedte en op 30 graden zuiderbreedte waait de wind bovenin de atmosfeer niet meer richting de polen, maar meer van west naar oost.
  • In die subtropische gebieden gaat de wind dalen en is er sprake van hogedrukgebieden. Hier is het uitgesproken droog, want als lucht daalt wordt deze steeds warmer. Als er waterdamp in de lucht zit, zal deze zeker niet condenseren, want dat gebeurt alleen bij afkoeling. Veel dalende lucht en geen wolken en kans op neerslag: we vinden hier dus woestijnen.
  • Vanuit de hogedrukgebieden waait de wind aan de aardoppervlakte terug naar het lage drukgebied bij de evenaar. Deze winden zijn behoorlijk krachtig en erg constant. Altijd waait de wind uit dezelfde richting. Deze winden noemt men passaten. In het Engels spreekt men van trade winds.
  • De plaats waar de twee passaten op elkaar botsen noemt men de ITC, ofwel de intertropische convergentiezone. Daar stijgt de lucht op en is de cirkel gesloten.
  • Met name boven de oceanen is de wind het hele jaar door erg stabiel en komen passaten voor. Boven landmassa's kan het voorkomen dat in een gebied halfjaarlijks de wind met 180 graden draait. Daar komen dan zogenaamde moessonwinden voor.